Het is goed grasduinen in het eerste Van Dale-woordenboek.

In 1864 verscheen het 'Nieuw Woordenboek der Nederlandsche taal', samengesteld door I.M. Calisch en N.S. Calisch. Johan Hendrik Van Dale herzag dit woordenboek grondig, en vanaf 1872 verscheen de tweede editie, nu met de naam Van Dale op de titelpagina.

                Als je dit woordenboek bekijkt, val je van de ene verbazing in de andere. Internet en tv bestaan natuurlijk nog niet, maar ook het woord 'radio' zul je vergeefs zoeken. Wel opgenomen daarentegen is 'radiolariënslijk' (het slijk bestaande uit de schalen van straaldiertjes). Tussen 'authentiek' en 'autobiographie' is het vruchteloos zoeken naar 'auto', al heeft even verderop al wel de automaat (kunstwerktuig dat zich zonder uitwendige hulp schijnbaar van zelf beweegt) zijn plekje veroverd.

                Bladeren in oude woordenboeken is als surfen avant la lettre: van de ene toevallige ontdekking beland je bij de andere en al snel ben je vergeten waarnaar je op zoek was. Het woord 'surfen' zul je niet vinden, want op die plaats staat 'surkel' (kleine wilde zuring of schapenzuring). En even verder op de pagina staat warempel 'sweater'. Nee, niet in de betekenis 'kledingstuk', zoals we het nu kennen, maar als volgt gedefinieerd: 'iem. die voor een gering loon zeer hard moet werken, inz. een karig betaalde kleermaker'. Hé, waar doet ons dat aan denken? O ja, aan de sweatshops natuurlijk, die fabrieken in Azië waar kinderen voor een grijpstuiver onze kleren in elkaar naaien.

                Of: hoe dankzij Van Dale de 19e en de 21e eeuw elkaar ontmoeten.