Column: mijn Dikke Van Dale

Om te beginnen vind ik je helemaal niet dik, wel aantrekkelijk en handig. 

Met de tijd ben je mijn boezemvriend geworden. Telkens als ik twijfels heb, raadpleeg ik je en herstel je mijn zelfvertrouwen in een minimum van tijd. Je bent de enige die mij in alle omstandigheden, zonder enige aarzeling, wijst op de verloedering van mijn taalgebruik. Je bent breeddenkend want je staat open voor nieuwigheden, neologismen, gewestelijke varianten tussen Noord en Zuid en je daagt me jaarlijks uit voor het Woord van het Jaar te stemmen. Attent en eerlijk stuur je me het resultaat van de peiling. Ik citeer je als toonbeeld van verdraagzaamheid wanneer je exotische woorden in je lexicon aanvaardt. Op die manier wordt mijn taalgebruik voortdurend bijgeschaafd en verrijkt.

Ondanks je gezette leeftijd ben je altijd in de weer en jong van geest. Mijn eerste seksuele voorlichting heb ik aan jou te danken. Voor hetzelfde geld verneem ik dat de 18e-eeuwse Engelsman Condom schapendarm als preservatief propageerde en dat het woord hoer ‘begeerte’ betekent in het Oudindisch. Een pooier was oorspronkelijk een ‘drinkebroer’. Tiet en tet hebben niets te maken met tat als afkorting van tatoeage. In Van Dale Engels-Nederlands lees ik dat de uitdrukking tit-for-tat tot een verschillende gevoelssfeer behoort en ‘uit wraak’ betekent in het Engels. Zo koppel je taalkunde aan biologie, geschiedenis, aardrijkskunde en noem maar op. Dat is je nooit te veel.

Als tiener kreeg ik dankzij jou een totaal nieuw beeld van de mensheid. Hoe fijn was het te leren dat onze taal niet alleen in de Lage Landen gesproken wordt, maar ook in Suriname, op Aruba, Bonaire en Curaçao. Daar kwam mijn atlas bij te pas. Nu voel ik me echt trots als ik een gelijkenis ontdek tussen Nederlands en Arubaans, een indianentaal.

Mijn positieve levensinstelling werd door jou in de hand gewerkt. Sommige termen geven me de energie bergen te verzetten. Ik denk aan piepkleine woorden als pep, pit en lef. En dan kom je aandraven met mooie spreekwoorden, het zout der taal, de wijsbegeerte van het volk, die me evenveel opkikkeren als die drieletterwoorden. Ik pluk de dag, laat duizend bloemen bloeien en zoek de zon als iets tegenvalt.

Met jou slaag ik erin vrede te stichten. Ik sluit vrede met mezelf en met wie anders spreekt of schrijft. Je leidt me als een blinde bij de hand en wordt mijn alziend oog in de duisternis. Ik tast niet meer in het duister en herleef, heradem als je me de woorden uit de mond haalt.

Als ik voor dag en dauw opsta om te schrijven, ben je in een handomdraai bij me. Aan de hand van synoniemen en spraakkunst worden mijn teksten bijgewerkt. Je bent mijn stijlbijbel. Bij morgenstond verbeter je mijn gewestelijke taalgebreken. Je schudt me de hele voormiddag door elkaar tot ik erin slaag iets fatsoenlijks neer te pennen dat voor iedereen verstaanbaar is. Na een korte middagpauze laat je mij een handtastelijkheid toe: ik streel je bladen en je wordt me een lust voor het oog. Soms verdwijn je achter het scherm van een tablet of computer. Dat neem ik je niet kwalijk, omdat je hiermee aantoont dat je met je tijd leeft.

’s Avonds verras je me door me je kleurrijke familie voor te stellen in alle mogelijke talen. Lang geleden ben ik voor jou gevallen en daar heb ik nu geen spijt van. Je bent hoogbejaard, betrouwbaar en altijd goed op de hoogte.

‘Inzending voor de schrijfwedstrijd voor het Jubileumboek’ – Mevrouw M. Missenden